Mens en maatschappij · voortgezet onderwijs

Kerndoel 26: De leerling onderzoekt historische verschijnselen

De leerling onderzoekt historische verschijnselen.

3 onderdelen, 15 uitwerkingen · domein Mens en tijd

26-A

Historische ontwikkelingen

De leerling beschrijft historische ontwikkelingen aan de hand van gebeurtenissen, personen en voorwerpen.

  1. 26-A-1

    Ontwikkelingen uit de prehistorie: ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen.

  2. 26-A-2

    Ontwikkelingen uit de oudheid: ontstaan van wetenschappelijk denken en ideeën over burgerschap, verspreiding van antieke culturen, verspreiding van de monotheïstische godsdiensten: jodendom, christendom en islam.

  3. 26-A-3

    Ontwikkelingen uit de middeleeuwen: ontstaan van een standensamenleving, groei van handelsnetwerken en steden, begin van staatsvorming en centralisatie, veranderend mens- en wereldbeeld.

  4. 26-A-4

    Ontwikkelingen uit de vroegmoderne tijd: de Nederlandse Opstand en het ontstaan van de Republiek, Europese kolonisatie en mensenhandel tussen werelddelen, verstedelijking en culturele bloei in de Republiek, groeiende belangstelling voor wetenschap en uitvinding van nieuwe technieken, de Verlichting en het streven naar vrijheid en gelijkheid.

  5. 26-A-5

    Ontwikkelingen uit de moderne tijd: industriële revolutie, opkomst van emancipatiebewegingen en ontstaan van parlementaire democratie, opkomst van nationalisme en modern imperialisme, opkomst en toepassing van totalitaire ideologieën, ontstaan van totale oorlog en genocide, dekolonisatie, blokvorming en samenwerking rond wereldproblemen, toename van diversiteit en verschillen in welvaart, ontstaan van een informatiesamenleving.

26-B

Tijd

De leerling redeneert over historische ontwikkelingen met gebruik van tijdsaanduidingen en bronnen.

  1. 26-B-1

    Ordenen van historische gebeurtenissen en ontwikkelingen met behulp van tijdsaanduidingen, een tijdlijn en geografische kaarten.

  2. 26-B-2

    Beoordelen van de bruikbaarheid van bronnen in relatie tot de vraagstelling en op basis van de context waarin de bron is ontstaan.

  3. 26-B-3

    Combineren van informatie uit en over verschillende bronnen tot een consistent verhaal over historische gebeurtenissen en ontwikkelingen.

  4. 26-B-4

    Verbanden leggen tussen perspectieven van mensen en de keuze voor bepaalde naamgeving en periodisering.

    havo/vwo

26-C

Doorwerking van het verleden

De leerling toont inzicht in verbanden tussen historische ontwikkelingen en ontwikkelingen in het heden en redeneert over betekenissen die mensen en groepen geven aan het verleden.

  1. 26-C-1

    Beschrijven hoe slavernijverleden en koloniale verhoudingen, Tweede Wereldoorlog, Holocaust en migratie doorwerken in het heden.

  2. 26-C-2

    Beschrijven van de wording en werking van de constitutionele monarchie, parlementaire democratie en rechtsstaat van het Koninkrijk der Nederlanden.

  3. 26-C-3

    Vergelijken van betekenissen die mensen en groepen geven aan het verleden en aan erfgoed.

  4. 26-C-4

    Redeneren over wat bewaard, en wat herdacht moet worden vanuit verschillende perspectieven en invalshoeken.

  5. 26-C-5

    Redeneren over de invloed van het verleden op het eigen leven en de eigen geschiedenis.

  6. 26-C-6

    Reflecteren op de mogelijkheid oorzakelijke verbanden te leggen tussen historische ontwikkelingen en gebeurtenissen en die uit het heden.

    havo/vwo

Zoek je Mens en maatschappij voor het primair onderwijs? Bekijk kerndoel 25 t/m 28 van het primair onderwijs.

Bron: SLO, Kerndoelen voortgezet onderwijs (2026, derde druk). Wij nemen de tekst ongewijzigd over. Laatst gecontroleerd op 17 augustus 2026.